Themabijeenkomst over Laudato Si - Schrijfactie Amnesty International - Vrijzinnigen Heerde

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Themabijeenkomst over Laudato Si

Gepubliceerd door Peter Osendarp in Nieuws · 25/8/2018 21:08:00
TOESPRAAK van Peter Osendarp OVER encycliek LAUDATO SI IN HEERDE (12-8-2018)
Inspiratiebronnen en voorgangers van deze encycliek LAUDATO SI
De sterkste inspiratiebron van deze encycliek is Franciscus van Assisi (1182-1226), wiens naam opzettelijk door deze paus is gekozen (voor de eerste keer in de kerkgeschiedenis) als inspiratiebron voor zijn pontificaat (pausschap). In het bijzonder het Zonnelied van Franciscus heeft de titel geleverd van deze rondzendbrief, nl. LAUDATO SI. Van zijn voorgangers als Paus worden met name genoemd Paus Johannes de XXII met zijn rondzendbrief PACEM IN TERRIS x) (1963), Paus Johannes Paulus II met zijn encycliek CENTESSIMUS ANNUS xx) (1991) en zijn directe voorganger Benedictus XVI met zijn rondzendbrief CARITAS IN VERITATE xxx) (2009). Opmerkelijk is dat er veel citaten in staan van bisschoppenconferenties uit heel de wereld, vooral uit het Zuidelijk Halfrond, met name Latijns Amerika. Andere gezaghebbende stemmen in deze encycliek zijn die van de Patriarch Bartholomeus: de hoogste geestelijke van de Oosterse Orthodoxie, verder de Duits-Italiaanse theoloog en filosoof Romano Guardini (1885-1968) en - zonder naamsvermelding - vaak aangehaald: de Braziliaanse theoloog Leonardo Boff, vanwege zijn boek over “de noodkreet van de aarde, de noodkreet van de armen”.
Hoofdstuk I heet WAT ER MET ONS GEMEENSCHAPPELIJKE HUIS GEBEURT
Het eerste hoofdstuk schetst op grond van wetenschappelijke gegevens de globale stand van zaken in de wereld als alarmerende tekenen des tijds. Wat de fysieke omgeving betreft gaat het vooral over de mondiale verontreiniging van natuur en milieu, de verspilling van grondstoffen en goederen en de dominante wegwerpcultuur. Wat de sociale omgeving betreft wordt het maatschappelijk verval geschetst en de vermindering van kwaliteit van leven, toegespitst op de situatie van onleefbare megasteden, maar ook op de voortgaande verpaupering van het platteland en de maatschappelijke gevolgen van digitalisering. Aansluitend op deze problematiek wordt nadrukkelijk geponeerd dat klimaatverandering door mensen wordt veroorzaakt. Economisch en politiek machtigen lijken deze milieuproblemen te verhullen of te negeren. Daar wordt tegenover gesteld dat het klimaat een gemeenschappelijk goed is, een “bonum comune”, d.w.z. een goed van algemeen gemeenschappelijk belang. Verder gaat de beschrijving over de waterproblematiek: i.h.b.de waterschaarste voor de landbouw en het ontoereikend gebruik van schoon drinkwater. Ook het verlies van biodiversiteit wordt uitvoerig beschreven. De encycliek signaleert tenslotte wat genoemd wordt: de planetaire ongelijkheid, waarmee de ongelijkheid tussen Noord en Zuid wordt aangeduid, m.n. als gevolg van de buitenlandse schuld en de ecologische schuld van arme landen ten opzichte van rijke landen. Arme ontwikkelingslanden betalen de prijs voor de rijkdom van welvarende landen in het bijzonder door de export van grondstoffen en voedselproducten van Zuid naar Noord .
Concluderend stelt dit hoofdstuk: dat de gevolgen van beschreven ontwikkelingen vooral de “verworpenen der aarde” betreft: de massa uitgestotenen in megasteden, de afvalbergen als gevolg van verspilling waar talloze marginale mensen op proberen te overleven. Het zijn de armste mensen die het meest te lijden hebben van de aanvallen op het milieu, her en der in de wereld. De profetische kritiek die hierop volgt stelt dat de economisch en politiek machtigen de problemen verhullen of te laat zijn met maatregelen door overheid of bedrijfsleven, terwijl de economische machten dit mondiaal systeem nog steeds rechtvaardigen. Niettemin worden er ook positieve voorbeelden vermeld van milieuverbetering en collectieve daden van edelmoedigheid, solidariteit en zorg.
Hoofdstuk II heet: HET EVANGELIE VAN DE SCHEPPING
Het tweede hoofdstuk is geschreven vanuit de vraagstelling: hoe beoordelen we het een en ander in het licht van het evangelie van de schepping? Wat voor religieus-moreel referentiekader en richtsnoer hanteren wij ten opzichte van dat wat er gebeurt in ons gemeenschappelijke huis?
De encycliek biedt een “her-lezing” of vernieuwde interpretatie van Bijbelse gegevens, zowel van het zogeheten Oude als Nieuwe Testament. De Bijbelse verhalen worden vooral verstaan als bron van wijsheid bij het verstaan van de tekenen des tijds, d.w.z. van datgene wat nu op onze planeet gebeurt. Resumerend kunnen de Bijbelse gegevens als volgt worden samengevat: het leven van mensen is ten diepste relationeel, de waardigheid van de mens is verbonden met God, met medemensen en met de aarde. De aarde is de mens gegeven en de aarde gaat aan de mens vooraf, maar die alomvattende verbondenheid is verbroken geraakt en dat wordt religieus-moreel geduid als “de zondeval”. Het mensbeeld vanuit deze Bijbelse verhalen mag niet, zoals vaak gebeurd is, opgevat worden als een “despotisch antropocentrisme”, d.w.z. de mens als absoluut heerser, heer en meester over alle andere wezens.
Het mensbeeld dat uit deze Bijbelse verhalen voortkomt, is eerder dat van de mens als verantwoordelijke beheerder en partner, met de opdracht op verantwoorde wijze de aarde te bewerken en te bewaren, te cultiveren en te behoeden. Daarbij gaat het niet om een vergoddelijking van de aarde door de mens, want onze de planeet is niet goddelijk , maar er klinkt wel menselijke lofzang en zelfs lofzang van alle schepselen voor God als de schepper van hemel en aarde. In al het geschapene is het gelaat van de Schepper te herkennen. Opmerkelijk is - in de lijn van heel deze encycliek - dat met citaten benadrukt wordt - zowel in de Psalmen als bij de Profeten - dat de God van de schepping dezelfde is als die van de bevrijding: Onze hulp is in de Naam van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft. (ps.124, 8)
De Bijbelse aansporingen over de sabbat, over de zevende dag, worden eveneens in dit licht verstaan, want richtlijnen over deze rustdag hebben zowel betrekking op het scheppingsverhaal van GENESIS als op het uittochtverhaal van EXODUS. De sabbat, deze rustdag is van kracht voor de mens, het dier en de aarde, het staken van de arbeid en rust geven aan de natuur: geen roofbouw plegen op de aarde. Opmerkelijk en nieuw is bovendien dat met een beroep op de Bijbelse Wijsheidsliteratuur gesteld wordt dat de schepping niet zozeer een schepping uit het niets is, d.w.z. creatio ex nihilo , maar veel meer een schepping die voortkomt uit liefde d.w.z. creatio ex amore. God is Minnaar van het Leven en alles komt uit zijn liefde voort. ( Wijsh.11,24)
Wat het zogeheten Nieuwe Testament betreft wordt veel aandacht besteed aan wat genoemd wordt: ”de blik van Jezus “: zijn eigen relatie met God als Vader wordt door hemzelf betrokken op alle schepselen (zelfs mussen) . Het gaat , zoals bv blijkt in de parabels , om een leven in harmonie met de schepping zonder lichaamsverachting. In de parabels is er een nauwe band tussen het Rijk Gods en de agrarische natuur. Ook de interpretatie van de apostel Paulus aangaande Jezus Christus “als eersteling van de schepping” wordt hierbij betrokken. Dit gegeven wordt theologisch omschreven als “de kosmische Christus “. In die visie wordt Christus niet alleen betrokken bij de mensheid , maar bij al het geschapene (God in alles en allen: 1 Kor. 15, 28). Dankzij Christus neemt al het geschapene deel aan het proces van Gods voortgaande schepping en verlossing. Deze interpretatie van Christus en het mysterie van het heelal, treffen we in het bijzonder aan in de Paulijnse brieven.
Hoofdstuk III heet: DE MENSELIJKE WORTEL VAN DE ECOLOGISCHE CRISIS
Dit hoofdstuk tracht in - het verlengde van de voorgaande bijbels theologische visie - een diepgaande en kritische doordenking te bieden van de dominante cultuur in de mondiale samenleving. Deze kritische samenlevingsanalyse baseert zich onder meer op menswetenschappelijke en filosofische denkbeelden, die een raamwerk bieden om die dominante cultuur te ontleden en te beoordelen met het oog op de eerder geschetste problematiek.
Kort en bondig samengevat stelt deze encycliek dat de dominante cultuur wordt gekenmerkt door technologie, gekoppeld aan economische macht. Zodoende heerst - wat hier genoemd wordt -: een technocratisch paradigma dat wereldwijd gangbaar is en eendimensionaal. Bij dat wereldbeeld behoort een bepaald mens- en natuurbeeld. Dat wordt hier getypeerd als “despotisch antropocentrisme”, d.w.z. dat de mens zich centraal stelt als absolute heer en meester over de natuur.
De encycliek beaamt dat de technologie heel veel goeds heeft gebracht, maar de kritische vraag blijft: ten dienste waarvan en van wie? De negatieve kant van dit wereldbeeld is dat de immense groei van de technologie gekoppeld is aan economische macht. Door de globalisering dringt de “vergoddelijkte” markteconomie door in heel de wereld: vooral via het principe van de winstmaximalisatie. Dat is zeer aantoonbaar in de grootschalige landbouw en de hoog technologische industrie.
Verder stelt deze rondzendbrief dat de dominante cultuur wordt gekenmerkt door een antropocentrische mateloosheid, er zijn geen grenzen aan de economische en technologisch groei, waardoor mensen zich weinig bewust zijn te behoren tot een ecologisch en sociaal netwerk van een planetair samenhangend geheel met begrenzingen: hoeveel keer deze aarde heeft deze dominante cultuur nodig? Door dat gebrekkig bewust zijn is er nauwelijks plaats voor de vele arme en kwetsbare mensen, maar evenmin is er voldoende besef omtrent kwetsbaarheid van het ecologisch evenwicht en de bedreigde duurzaamheid van onze planeet.
Als gemeenschappelijke wortel van deze maatschappelijke en ecologische crisis, dus ook het wereldwijd ontbreken van rechtvaardigheid en duurzaamheid, noemt deze encycliek het technocratisch en economisch marktdenken. Deze “vergoddelijking” van de markt, als een “magisch idee”, of als “een onzichtbare hand” wordt expliciet met zoveel woorden aan de kaak gesteld. De markt biedt geen waarborg voor een integrale ontwikkeling van mens en natuur als bondgenoten, ook niet voor de globalisering van de solidariteit en sociale cohesie tussen mensen, noch voor de gerechtigheid tussen de generaties.
Hoofstuk IV heet: EEN INTEGRALE ECOLOGIE
Dit hoofdstuk biedt – na de beschrijving van de maatschappelijk-ecologische problematiek en de bijbels theologische en de sociologisch - filosofische doordenking daarvan, een pleidooi voor een integrale ecologie. Daarbij hangt “alles met alles, en elk met iedereen samen“. Dit integrale paradigma of wereldbeeld biedt een nieuw beoordelingskader d.w.z. een richtsnoer of leidraad om situaties op onze planeet, van “ons gemeenschappelijk huis” te beoordelen.
Zelfs de Verenigde Naties hebben zo’n integrale visie nog NIET uitgewerkt. De allesomvattende benadering van deze encycliek zal in het volgende hoofdstuk uitgewerkt worden waarin het gaat om oriëntaties en richtlijnen voor ons persoonlijk en gezamenlijk handelen.
In dit hoofdstuk over integrale ecologie worden enkele bouwstenen aangedragen, die de contouren laten zien van een ecologie die allesomvattend wil zijn, d.w.z. verband houdend met alles en iedereen Integraal betekent o.m. dat materiële en culturele, economische en maatschappelijke , fysieke en mentale aspecten van ons “gemeenschappelijke huis” in ogenschouw worden genomen.
1) Het eerste element dat wordt uitgewerkt staat omschreven als een ecologie van milieu, economie en samenleving. Daarmee wordt bedoeld: milieu is niet wat ons omgeeft als een omlijsting en dus buiten ons om bestaat; wij mensen zijn er onderdeel van en zijn ermee verweven. Daarom is de analyse van milieuproblemen niet te scheiden van de maatschappelijke context van mens, gezin, werk en stad, de interactie van ecosystemen met maatschappelijke leefgebieden.
2) Het tweede element wordt getypeerd als “culturele ecologie “. Dat wordt uitgewerkt als: de wisselwerking tussen de cultuur van een bevolking of gemeenschap, met name zoals deze omgaat met natuur en milieu. Met name wanneer zich milieuproblemen voordoen is van belang dat de lokale cultuur van zo’n gemeenschap daarbij serieus wordt betrokken, te denken is bv. aan inheemse culturen van oorspronkelijke bewoners van een land of streek; hun cultuur en religie is daarbij in het geding b.v. de inheemse culturen van het Andes Gebergte (met Moeder Aarde verering).
3) Daarna wordt als derde element een schets geboden van de “ecologie van het dagelijks leven”. Daarbij wordt onder meer gedacht aan het scheppen van sociaal en milieuvriendelijke, leefbare omgevingen in megasteden, die ogenschijnlijk onleefbaar zijn. Voor het dagelijks leven van mensen “aan de onderkant” met name in grootstedelijke omgevingen, zijn goede volkshuisvesting, openbaar vervoer en geschikte openbare ruimten (groene pleinen) van groot belang: voor deze mensen en voor het milieu.
4) Bij de uitwerking van deze integrale ecologie spelen morele beginselen of ethische principes een hoofdrol, die voortkomen uit de sociale leer van de kerk, waarvan deze encycliek een nieuw hoofdstuk is. Zonder nu de hele sociale leer van de kerk te bespreken kan met enkele trefwoorden aangegeven worden om welke principes het gaat.
Zo is er het beginsel van het algemeen welzijn , het bonum comune. Het milieu en het klimaat zijn aangelegenheden die behoren tot het algemeen welzijn, dat het particulier belang of welzijn overstijgt. Een ander principe is dat van de gerechtigheid, een bijbels gegeven , dat nu wordt geactualiseerd als ”gerechtigheid tussen de generaties”: wat voor wereld laten wij na aan de generatie die nu opgroeit? Solidariteit is voorts zo’n moreel principe, dat in het kerkelijk taalgebruik een recente herformulering heeft gekregen: de voorkeurskeuze voor de armen. Deze encycliek typeert de aarde zelf als arme. Ook het beginsel van de universele de broeder- en zusterschap van alle schepselen komt onder invloed van Franciscus nu aan bod in de sociale leer van de kerk. Dat zijn m.a.w. morele beginselen die van belang zijn voor de ontwikkeling vaneen integrale ecologie.
Een INTEGRALE ECOLOGIE is een nieuw paradigma, een nieuw wereldbeeld , dat rekening houdt met de bijzondere plaats van de mens als verantwoordelijk beheerder van de aarde en als bondgenoot van de ons omringende natuur en het milieu.
5) Daarbij is volgens deze encycliek Franciscus van Assisi een inspirerend voorbeeld, want duurzame zorg voor de aarde en liefde voor de natuur gaan bij Franciscus samen met inzet voor sociale rechtvaardigheid jegens de armen. En betrokkenheid bij de samenleving gaat bovendien gepaard met innerlijke vrede en vreugde.
Hoofdstukken V en V I heten: enkele richtlijnen voor oriëntatie en handelen; ecologische opvoeding en spiritualiteit
In hoofdstuk V worden in globale termen richtlijnen voor oriëntatie gegeven, die kenmerkend zijn voor deze leider van een wereldkerk, die zich richt tot iedereen, tot de hele mensheid. Hierbij zou men als lokale geloofsgemeenschap kunnen denken: Moeten wij ons met de hele wereld bemoeien? Toch is de laatste decennia het besef doorgedrongen dat je, juist omdat alles met alles samenhangt, zowel mondiaal moet denken als lokaal dient te handelen. Deze encycliek richt zich enerzijds tot overheden en machthebbers aan de top, maar tevens tot de (wereldwijde ) milieubeweging vanuit de basis. Niettemin blijft die beweging “van onderop” mijns inziens onderbelicht in deze encycliek.
1)\tAllereerst wordt als oriëntatie belang gehecht aan de dialoog over milieu in de internationale politiek. Daarbij is te denken aan de VN conferenties zoals die in 1992, de Top over de Aarde in Rio de Janeiro of recenter de Akkoorden van Parijs (2015). Daarbij wordt gedacht in termen zoals OUR COMMON FUTURE of EEN WERELD OF GEEN WERELD .
2)\tTegelijkertijd wordt geattendeerd op het belang van de internationale milieubeweging die telkens weer allerlei milieukwesties op de publieke agenda heeft gezet, wereldwijd. Dit gebeurt vaak omdat politiek en bedrijfsleven ernstig in gebreke blijven. Extra te betreuren is dat een politiek wereldgezag in deze ontbreekt, zoals voorganger Benedictus XVI reeds vaststelde.
3)\tVerder wordt gewezen op de noodzaak van een dialoog met het oog op een nieuwe nationale en lokale politiek in deze. Soms kan lokale politiek, bijv. ingegeven door initiatieven van inheemse gemeenschappen, een voorhoedefunctie vervullen in de richting van de nationale politiek, zoals nationale milieupolitiek van een land een voorbeeldfunctie kan vervullen in de internationale politiek .
4)\tVoor het welslagen van bedoelde dialoog is het van wezenlijk belang dat bij dat soort communicatie sprake is van transparantie in beslissingsprocessen. Milieubeleid mag zich niet voltrekken in achterkamers tussen de lobby van grote bedrijven met overheden: gedreven door hun eigen belangen, zonder voorrang te geven aan het “ bonum comune”.
5)\tPolitiek en economie dienen gericht te zijn op integrale ontwikkeling van alle mensen en niet slechts op economische groei ten bate van de happy few. Niet het principe van de “Profit” , van winstmaximalisatie mag leidend zijn, maar vooral het principe van algemene belang van “Planet and People”.
6)\tMet het oog op de gezamenlijke toekomst van ons gemeenschappelijke huis pleit de encycliek voor een dialoog van de godsdiensten met de wetenschappen. Ook op andere plaatsen in deze rondschrijfbrief wordt het samenwerken van geloof en wetenschap betoogd. Theologiebeoefening is nodig, niet alleen in samenspraak met mens- en maatschappij-wetenschappen, maar ook met natuurwetenschapen.
7)\tLast but not least is de interreligieuze dialoog noodzakelijk tussen (wereld)religies om te streven naar een mondiaal netwerk van respect en saamhorigheid, van compassie met mens en aarde.
In hoofdstuk VI gaat het ten slotte om ecologische opvoeding en spiritualiteit
Met een beroep op een van zijn voorgangers (Johannes Paulus II) pleit deze paus voor een ecologische bekering. Dat wordt uitgewerkt als het persoonlijk en samen ontwikkelen van een nieuwe levensstijl, die wordt gekenmerkt door “eco-deugden”, zoals soberheid, eenvoud, onthechting, solidariteit, compassie en zorgzaamheid. Die (franciscaanse) levensstijl van “less is more” brengt bovendien innerlijke vrede en vreugde. Die levensstijl veronderstelt en vergt een opvoeding van mensen tot bondgenoten van het milieu. Vanwege de langdurige vijandschap tussen mens en natuur zal er een “ecologische bekering” nodig zijn die leidt tot verzoening , tot broeder- en zusterschap met héél de schepping. Naastenliefde manifesteert zich ook in civiele en politieke gedaanten: als maatschappelijk engagement. De encycliek introduceert hier een nieuw concept namelijk “ecologisch burgerschap“, dat wordt bepleit zonder dat dit uitgewerkt wordt. Ik denk hier aan de “civil society”: d.w.z. het civiele krachtenveld tussen de enkeling en de overheid, in het bijzonder door als burgers gezamenlijk en actief deel te nemen aan maatschappelijke organisaties op het gebied van ecologie.
Wat betreft de vernieuwing van de spiritualiteit wijst de encycliek op het herontdekken en herinterpreteren van sacramentele tekenen, die een religieuze band met de natuur symboliseren zoals brood en wijn, de zevende dag, water, olie, vuur, kleuren, licht en duister, getijden. In de liturgie en het gebed, in liederen en religieuze poëzie zou het samengaan van schepping en bevrijding dienen door te klinken, de noodkreet van de aarde en die van de armen, krijgen dan stem in de spiritualiteit. Inzet voor duurzaamheid en rechtvaardigheid gaan daarbij immers samen.
Tot de spirituele dimensie rekent deze encycliek het “franciscaanse” inzicht (van de franciscaan Bonaventura 1221-1274 ) dat God herkenbaar is in de schepping en dat zelfs de TRINITEIT xxxx) zich weerspiegelt in elk schepsel. Er is dan zelfs sprake van een trinitaire structuur van elk schepsel. Deze theologische diepzinnigheid zal niet iedereen kunnen doorgronden.
Een typisch rooms-katholieke uitwerking van de hier beoogde spiritualiteit is dat MARIA wordt getypeerd als Koningin van de Schepping. Dat gebeurt met een beroep op het beeld van de vrouw in Apocalyps 12, 1. Er is bijna geen pauselijke encycliek of de gestalte van Maria, nu als Koningin van de Schepping, wordt in de spirituele overwegingen betrokken. Dat zal bij deze Argentijnse Paus wellicht niet bevreemden. De Mariaverering in Latijns-Amerika is daar alomtegenwoordig. De encycliek wordt afgerond met enkele gebeden en gezangen: “AAN GENE ZIJDE VAN DE ZON”. Het is immers een encycliek en geen politieke verhandeling of een theologisch betoog , maar een oproep tot ecologische bekering. Vandaar dat wij een van deze gebeden nu laten klinken in deze bijeenkomst.
PETER OSENDARP, Etten Leur en Heerde 12 augustus 2018
Eventuele correspondentie of reactie: peterosendarp@ziggo.nl
x) PACEM IN TERRIS = Vrede op Aarde. xx) CENTESSIMUS ANNUS = het honderdste jaar d.w.z. 100 jaar na eerste sociale encycliek in 1891. xxx) CARITAS IN VERITATE = Liefde in Waarheid xxxx) TRINITEIT = de goddelijke drie eenheid.



Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu